allegorisme

Allegorisme Is een veel voorkomend type schilderij in de schilderkunst, die een inhoud met een diepere betekenis verhult. Een allegorie verschilt duidelijk van een symbool, dat een herkenbare betekenis heeft. Bijvoorbeeld een schilderij met een stilleven van rottend fruit is een allegorie voor de korte duur van het menselijk bestaan.

Van de seculiere schilderijen werden vooral allegorieën na 1480 populair. Allegorische schilderijen lijken vaak wat vreemd en zijn tegenwoordig weinig populair (behalve onder kunsthistorici). Schaars geklede vrouwen, dansend of rennend tussen klas­sieke ruïnes, mollige cupidootjes met pijl en boog of zwaarden en linten, mannen die half dier zijn en geiten met vissenstaarten appelleren niet aan de moderne smaak. Maar in de Renaissance, met het humanisme op zijn hoogtepunt, was de allegorie net zo geliefd als bijvoorbeeld het impressionisme nu.

De klassieke allegorie werd popu­lair rond de tijd waarin Botticelli zijn Primavera schilderde, nu een van de beroemdste schilderijen ter wereld. Het werk is rijk aan complexe christelijke en mythologische verwijzingen en tot de negen figuren op het doek horen Mercurius, Cupido, de drie Gratiën en, de beroemdste van allemaal, Flora, overdekt met honderden bloemen. De allegorie werd in de loop van de 16de en 17de eeuw steeds populairder, maar aan het einde van die periode was de zware, ooit zo aantrekkelijke symboliek uitgehold, waar­ door de mythologie haar kracht om een bepaalde boodschap over te brengen vrijwel had verloren.

Maar het feit dat de allegorie tijdens de gehele Renaissance een bloeiend genre was, is van groot belang. Zo suggereert de populariteit van de klassieke goden dat ze nooit echt verdwenen waren, maar enkel ondergronds waren gegaan, vaak in hybride vorm aangepast aan de christelijke traditie. Dat werpt de vraag op of het grote publiek in de Middeleeuwen wel zo overtuigd was van het christendom als de kerk graag beweerde. Er zaten onvermijdelijk heidense elementen in de christelijke wereld, te beginnen met de namen van de dagen en de datum waarop Kerstmis werd gevierd. Maar er was meer. Tijdens de grote bloei van de Christelijke kunst in de 13de en 14de eeuw hadden astrologen in Italië grote invloed op het leven van complete steden. Begin 14de eeuw doken de heidense goden niet alleen overal in de literatuur op, maar ook op monumenten. In Venetië verschenen ze in de gotische kapitelen van het dogenpaleis en ook in Padua, Florence en Siena waren ze weer te zien. Begin 15de eeuw werd men nog vrijer in het gebruik van heidense mythologie en astrologie. In de Oude Sacristie van de San Lorenzokerk in Florence zijn in de koepel net boven het altaar mythologische figuren en ee constellatie van de sterrenhemel te zien zoals die was ten tijde van het Concilie van Florence. Vergelijkbare decoraties vinden we later zelfs in de pauselijke paleizen  (de opvolgers van Petrus in de Borgia-appartementen is omringd door hemel­se symbolen waaronder Jupiter en Mars).

Marsilio Ficino stichtte een complete ee complete school voor exegese, met als uitgangspunt dat er in de klassieke allegorieën een verborgen wjsheid school, waaruit blijkt dat de allegorie meer was dan een simpele verwijzing naar de mythologie. Wie in staat was om een allegorie te ontcijferen, kreeg de status van ingewijde en dat was iets wat mensen in die tijd erg aansprak; het werd ook handig opgepakt door een van de volgelingen van Ficino, Pico della Mirandola en ook anderen, waren de oude mythen een soort code die een geheime wijsheid bevatte: deze wijsheid werd versluierd door allegorie en de ontrafeling ervan­ kon de geheimen van het universum openbaren. Pico gaf als voorbeeld de leer van Mores die veertig dagen op de berg Sinaï met God had gecommuniceerd en  toch slechts met twee stenen tafelen terugkeerde: er moet hem veel meer zijn geopenbaard maar dat hield hij geheim.



Sorteer op:

Resultaten 1 - 6 van 14