Barbizon

Drie Franse plattelandsdorpjes, Marlotte, Chailly en Barbizon, weggestopt in de bossen op de westelijke rand van het bekende Fôret de Fontainebleau, waren toevluchts- en verblijfsoord, tussen 1830 en 1850, van een groot aantal schilders, die er hun liefde voor de natuur wilden beleven, vaak op een pathetische wijze.

Théodore Rousseau was hun 'mentor'. Andere bekende vertegenwoordigers waren: Jean François Millet, Jules Dupré, Charles-François Daubigny, Albert Charpin, Narcisse Diaz, Antoine Chintreuil, Constant Troyon, Henri Harpignies.

Ook de bekende dierensculpteur Antoine-Louis Barye schetste zijn modellen in hun natuurlijke omgeving. Ze waren allen het stedelijke academisme ontvlucht en wilden, vaak hartstochtelijk en ongebonden, het directe contact met de vrije afgezonderde natuur beleven als 'plein-air-schilders'. Het werden eerder 'poëten met de borstel' dan wel uitbeelders van een natuurlijke omgeving.

In 1850 noemde een Parijs directeur ze "de onverschoonde democraten". De schilders van Barbizon lieten zich beïnvloeden door de 17de eeuwse Hollandse landschapschilders enerzijds en anderzijds door de Engelse aquarellisten als Richard Parkes Bonington.

Niet alleen Franse kunstenaars zochten Barbizon op, ook vreemden maakten er school. Zoals de Belgen Xavier De Cock, César De Cock, Hippolyte Boulenger, Alfred De Knyff, Victor De Papeleu en de Nederlander Martinus Antonius Kuytenbrouwer die op zijn beurt weer zijn vriend Johan Jongkind uitnodigde. Willem Roelofs, een ander Nederlandse landschapsschilder verbleef er in 1851, 1852 en 1855. Zijn Barbizon-geestdrift werkte aanstekelijk op de latere Haagse School.



Sorteer op: