fauvisme

Stijl in de schilderkunst die aansluit bij wat de Franse groep ‘Les Fauves’ (De Wilden, aanvankelijk een scheldnaam) rond 1905 liet zien. Een van de voorlopers van het fauvisme was Paul Gauguin. In 1906 sloten zich ook Georges Braque, André Derain en Kees van Dongen bij de fauvistische beweging aan. Het fauvisme was maar een kort leven beschoren. Henri Matisse en Raoul Dufy bleven de beweging het langst trouw. In Nederland vertoonden rond 1910 Jan Sluijters en Leo Gestel fauvistische trekken. Binnen de schilderkunst kenmerkt het fauvisme zich door het gebruik van felle, nauwelijks gemengde kleuren. De stroming staat aan het begin van de moderne kunst en vond haar voortzetting in de schilderkunst van de 20ste eeuw. Het hoogtepunt bereikte de stroming tussen 1898 en 1908. Op de Salon van 1906 schreef Vauxcelles nog over ‘een werkelijk vuurwerk’, maar tijdens de Salon van 1907, waarop Paul Cézanne een retrospectief overzicht kreeg, ging de meeste belangstelling uit naar de gedempte blauwen en grijzen in de geometrisch kubistische werken van de nieuwere kunstuiting, het kubisme. De Franse fauvisten gingen bij het gebruiken van hun onvermengde directe kleuren tot het uiterste. Zoals alle vernieuwers wilden ze hiermee hun vrijheid manifesteren. Het is duidelijk dat ze waren beïnvloed door de felle kleuren van Vincent van Gogh. In 1901 had er een Van Gogh-retrospectieve tentoonstelling plaatsgevonden in de Galerie Bernheim-Jeune die een sterke invloed zou uitoefenen op de latere fauvisten. Bij fauvisme ging niet om een coherente groep schilders; wat hen tijdelijk samenbond was een gemeenschappelijke interesse in het schilderen van vlakke patronen en 'wilde' kleuren. Matisse was de centrale figuur van de groep. Marquet en Matisse schilderden al op deze manier in 1898, in de Académie Carrière, maar pas op de Salon d'Automne 1905, te Parijs, toonden een aantal geestverwanten gelijkaardig werk, zoals Maurice de Vlaminck, André Derain, Pierre Laprade, Raoul Dufy, Othon Friesz en Georges Rouault. De belangrijkste groepen die deel uitmaakten van deze beweging waren: Atelier Gustave Moreau, Académie Carrière (Marquet, Camoin, Manguin, Puy), de Châtou-groep (met Derrain en Vlaminck), en de Le Havre-groep (Braque, Dufy, Friesz). In 1948 verenigde een aantal jonge expressionisten met gelijkgerichte ideeën zich in de Cobra groep. Deze op het expressionisme en het fauvisme voortbordurende stroming veroorzaakte een opleving van de moderne kunst in Nederland, België en Denemarken.



Sorteer op:

Resultaten 1 - 6 van 16