gotiek

De gotiek is de naam voor een laatmiddeleeuwse stijl toegepast in de periode 1140-1500 in de beeldende kunst en de architectuur, vooral aanwezig in kerkgebouwen. De gotiek wordt gezien als de eerste echt vernieuwende stijl sinds de val van het Romeinse Rijk. De term gotiek werd voor het eerst vernoemd in 1550, in het werk ‘Le vite de piu eccellenti Architetti’ van de bouwmeester Giorgio Vasari. Deze benoemde de stijl als ‘stile Gotico’ die in zijn vertaling betekent: ‘Kunststijl van Barbaren’; dit gezien vanuit de renaissancistische geest. Er waren grote regionale verschillen met een duidelijke chronologische ontwikkeling. Ondanks deze verschillen zijn er ook gemeenschappelijke kenmerken. De belangrijkste eigenschappen van de gotiek zijn de drang naar verticaliteit en naar licht. Dat licht werd binnengehaald door hoge vensters en grote roosvensters. Gebouwen werden steeds hoger en daardoor ogenschijnlijk smaller. In de beeldhouwkunst en schilderkunst zien we langgerekte figuren zowel in de uitbeelding van menselijke figuren als in de weergave van vegetatieve decoratie. De gotiek won het al snel van zijn voorganger, de romaanse architectuur. Profane en religieuze gebouwen werden in deze stijl gebouwd: talrijke belforten en kathedralen groeiden naar de hemel. Gewoonlijk werd Pro Deo gebouwd (ter ere van God); de namen van de architecten en de bouwlieden bleven vaak onbekend. Alhoewel op te merken valt dat – vanaf deze periode – bepaalde gebouwen niet meer anoniem gebouwd werden en dat tijdens de verdere geschiedenis van de bouwkunst de namen van de architecten en kunstenaars wel bekend werden.