neo-plasticisme

Nieuwe Beelding of Neo-plasticisme (Engels: Neo-Plasticism) is een kunsttheorie, die omstreeks 1917 ontstond rondom het tijdschrift De Stijl. De belangrijkste vertegenwoordigers van de Nieuwe Beelding zijn de kunstenaars Theo van Doesburg en Piet Mondriaan. Zij stelden zich als doel de kunst te zuiveren van elementen die daar volgens hen niet in thuis hoorden en probeerden langs rationele weg de elementaire (en in hun ogen universele) principes van iedere kunstvorm vast te stellen en toe te passen. Mondriaan bleef de Nieuwe Beelding tot zijn dood in 1944 trouw. Van Doesburg ging in 1924 over tot het elementarisme. De Nieuwe Beelding gaat ervan uit dat wanneer de schilder probeert de werkelijkheid (of waarheid) vorm te geven, deze dit nooit doet vanuit hetgeen hij ziet (object, materie, het fysische), maar vanuit hetgeen dat uit hemzelf voortkomt (subject, idee, het geestelijke), of zoals Georges Vantongerloo het formuleert: ‘La grande vérité, ou la vérité absolu, se rend visible à notre esprit par l’invisible’. Mondriaan noemt dit proces ‘verinnerlijking’. Daarnaast komt geen enkel schilderij toevallig tot stand. Elk schilderij is een samenspel van ruimte, vlak, lijn en kleur. Dit zijn de beeldingsmiddelen in de schilderkunst. Als de kunstenaar de waarheid zo goed mogelijk wil benaderen lost hij de natuurvorm op in deze meest elementaire beeldingsmiddelen. Op deze manier komt de schilder tot een universele harmonie. De rol van de kunstenaar (het individuele of het subjectieve) beperkt zich tot het bepalen van verhouding tussen deze beeldingsmiddelen (de compositie). De kunstenaar wordt zo bemiddelaar tussen de toeschouwer en het volstrekte (het absolute, het objectieve). In navolging van Schoenmaekers, die het fysieke aan het horizontale en het geestelijke aan het verticale verbond, pasten de nieuw beeldende schilders uitsluitend horizontale en verticale lijnen en rechthoekige kleurvlakken toe. Het doel van deze radicale vereenvoudiging van de schilderkunst was de kunst te zuiveren van elementen die volgens de Nieuwe Beeldende kunstenaars niet direct met de schilderkunst verband hadden.