olieverf

Verfstof die met maan-, lijn-, of notenolie wordt aangemaakt. De pigmenten zijn in olie onoplosbaar. Olieverven kunnen afhankelijk van de gebruikte stoffen, dekkend of doorschijnend zijn. In de 15de eeuw begon men olieverf toe te passen voor schilderijen.

De uitvinding van de olieverf wordt gewoonlijk toegeschreven aan de gebroeders Hubert en Jan van Eyck, beiden vanaf ongeveer 1420 actief in en rond Gent, Brugge en Den Haag. Hoewel deze opvatting niet langer onderschreven wordt, is het wel zeker  dat Jan van Eyck de techniek van het schilderen met olieverf en het vernissen heeft geperfectioneerd, waardoor zijn kleuren en kleureffecten door de eeuwen heen onveranerd zijn gebleven.

Het belangrijkste verschil tussen olieverf en fresco - daarvóór de populairste schildertechniek - is dat olieverf langzaam droogt. Bij frescoschilderen  droogt de verf zo gauw dat de schilder heel snel moet werken en nauwelijks mogelijk­heden heeft om nog iets te verbeteren. Maar pigmenten die met olie gemengd worden, doen er weken over om te drogen, zodat het lange tijd mogelijk blijft veranderingen aan te brengen; schilders kunnen zo zwakke plekken verbeteren en zelfs alles anders doen als ze een nieuw idee krijgen. Hierdoor werden schilders bedachtzamer en retrospectiever en konden ze de tijd nemen om hun kleuren te mengen zodat ze subtielere effecten wisten te bereiken.

Dat was van het begin af aan al merkbaar bij de van Eycks, wier gedetailleerde weergave van objecten en oppervlakken (vrijwel onmogelijk bij frescoschilderen) met zich meebracht dat vorm en ruimte veel beter en veel realistischer konden worden uitgewerkt. Hetzelfde gold voor de emotionele lading van schilderijen. Door met olieverf te schilderen konden schilders gezichtsuitdrukingen gedetailleerder onderzoeken en zo konden ze een breder scala aan emoties tonen.



Sorteer op:

Resultaten 1 - 6 van 13