Vlaamse Primitieven

Vlaamse Primitieven is de benaming van een groep kunstschilders uit de lage landen van de 15de en begin 16de eeuw, voornamelijk werkzaam rond de bloeiende steden Brugge en Gent. Enkele bekende vertegenwoordigers van deze school waren Jan van Eyck, Rogier van der Weyden, Hugo van der Goes, Hans Memling, Dirk Bouts en Gerard David.

Het werk van deze schilders wordt vandaag doorgaans tot de noordelijke renaissance gerekend, hoewel men ook herhaaldelijk de continuïteit van middeleeuwse elementen heeft beklemtoond en de werken desgevallend onder de 'laatgotiek' heeft geklasseerd.

De term werd vertaald uit het Frans en raakte ingeburgerd door het succes van de zogenaamde  'Exposition des Primitifs Flamands', een grote overzichtstentoonstelling gehouden in Brugge in 1902. Dit evenement bracht bij onderzoekers, maar ook bij het grote publiek de schilderkunst uit de lage landen van de 15de eeuw blijvend onder de aandacht. Sindsdien wordt zowel in het Nederlands als in het Frans deze term veelvuldig gehanteerd, hoewel hij door de meeste onderzoekers al een tijdlang als inaccuraat wordt beschouwd.

Sinds het verschijnen van de standaardwerken van Max Jakob Friedländer en Erwin Panofsky worden in het Duits en het Engels de termen 'Altniederländische Malerei' en 'Early Netherlandish painting' algemeen gehanteerd. Tegenwoordig prefereren de meeste Nederlandstalige kunsthistorici bij voorkeur een vertaling van deze terminologie, hetzij 'Oudnederlandse schilderkunst' hetzij 'Vroegnederlandse schilderkunst'. Bij het grote publiek blijft de benaming 'Vlaamse Primitieven' onverminderd in gebruik.