constructivisme

In de schilderkunst speelde, kort voor de Eerste Wereldoorlog, de Russische avant-garde een opvallend belangrijke rol in de ontwikkeling van de abstracte kunst. Uit het rayonisme van Mikhaïl Larionov en het suprematisme van Kazimir Malevitsj peurde Vladimir Tatlin het bekende constructivisme. Uitgaand van de collage-techniek van Pablo Picasso bracht hij het reliëf in de onderwerploze kunst en exposeerde hij zelfs zwevende constructies. Volgens quasi mathematisch-technische principes werden door de constructivisten vooral geometrische vormen in compositie gebracht en werd gewild afgezien van enige subjectieve expressie. Het was vooral hun ontzag voor machines, de architect en de toegepaste technische constructies waardoor de constructivisten werden meegesleept; hierin zagen zij een houvast voor hun streven naar duidelijkheid en exactheid en tegen subjectief individualisme. Schilderen was voor de constructivisten in de eerste plaats een objectieve studie, een halsstarrig doorvoeren van de strengste vereenvoudiging van de schilderkunstige middelen, tot er ten slotte niets overbleef dan het bekende vierkante zwarte vlak van Malevitsj. Van hieruit werd de schilderkunst vanaf de basis opnieuw opgebouwd. Niet naar subjectieve uitingsbehoeften, maar naar de meest basale mogelijkheden die zijn af te leiden van het zwarte vierkante vlak, de zogenaamde constructivistische of suprematistische elementen. Deze constructivistische elementen zijn bijvoorbeeld: twee zwarte vlakken naast en tegen elkaar (een horizontale verlenging van het zwarte kwadraat), een zwart vierkant recht boven en tegen een ander (een verticale verlenging van het zwarte kwadraat), enz. Vervolgens de cirkel, de driehoek, enz. In vele manifesten en avant-gardistische programma's werden de ingewikkelde en uiteraard theoretisch filosofische discussies van de constructivisten vastgelegd, met name in de periode van 1915 en 1920. Langs het Bauhaus in Weimar met El Lissitzky en De Stijl van Theo van Doesburg en Piet Mondriaan in Leiden drong het constructivisme na de oorlog in West-Europa door. Terwijl Mondriaan zijn horizontaal-verticale composities creëerde, bracht Van Doesburg met diagonalen een meer dynamisch constructivisme. Naum Gabo en Antoine Pevsner waren toen al uitgegroeid tot de belangrijkste Russische exponenten van de beweging. František Kupka, László Moholy-Nagy en Victor Vasarely verdienden evenzeer hun constructivistische sporen. Het constructivisme drong in de jaren twintig ook door tot de Russische dichtkunst, met Ilja Selvinski en Eduard Bagritski als belangrijke vertegenwoordigers.