grisaille

Een grisaille, of grauwschildering, is een schilderij waarin men geen natuurlijke kleuren aanbrengt maar zich beperkt tot de weergave der dingen in alle mogelijke schakeringen van dezelfde kleur, meestal grijs of bruin. Deze techniek heeft haar wortels in de oudheid maar werd vooral van de 15de tot de 18de eeuw toegepast.

In de 16e eeuw blijven grauwschilderingen vaak aanwezig op de buitenzijden van geschilderde triptieken. Pas met de introductie van het zogenaamde portiekaltaar na de contrareformatie verdwijnen de triptieken en polyptieken en bijgevolg ook de grisailleschilderingen uit de kerken. Grisailleschilderingen op kleine schaal worden vaak gemaakt om het meesterschap van de kunstenaar in het weergeven van het spel van licht en donker te demonstreren. Dergelijke stukjes worden dan ook gewild verzamelobjecten vanaf het einde van de 16e eeuw. Een beroemd en vroeg voorbeeld is het kleine werkje met de 'Dood van de H.Maagd' dat Pieter Bruegel de Oude schilderde

In de 17e en 18e eeuw worden grauwschilderingen meer en meer gebruikt als imitatie van sculptuur en ornament bij de versiering van een woning. Vaak zijn grisailles boven deuren of in de hoeken van een plafond als paneelvulling aangebracht. Een specialist op dit gebied was Jacob de Wit (1695-1754). Vaak wordt er dan ook van "witjes" gesproken. In Amsterdam zijn veel "witjes" bewaard gebleven. In de Zuidelijke Nederlanden (België) en Frankrijk waren in de 18e eeuw onder meer de Antwerpenaar Martin-Joseph Gheeraerts en de uit Doornik afkomstige Piat Sauvage beroemd in dit genre. Hun werken zijn qua stijl en techniek goed te vergelijken met de zogenaamde "witjes".