neo-expressionisme

Het neo-expressionisme is een hedendaagse kunststroming binnen de 20ste-eeuwse schilderkunst in de late jaren van 1970 tot midden van de jaren van 1980 die zich afzet tegen het minimalisme en conceptualisme van de jaren zestig en zeventig en breekt met het modernistische vooruitgangsdenken in de kunst. Het meest in het oog springende kenmerk is de terugkeer van de figuratie. In de jaren tachtig heeft het neo-expressionisme haar bloeiperiode met de Neue Wilden en de Italiaanse Trans-avantgarde. De eerste expositie die de stroming – met succes – voor het voetlicht bracht, vond plaats in 1980, in de galerie van Paul Maenz in Keulen, met de titel Mülheimer Freiheit und interessante Bilder aus Deutschland. Onder de deelnemende kunstenaars waren Walter Dahn, Jiri Georg Dokoupil en Albert Oehlen. Het neo-expressionisme ontstond uit onvrede met de heersende dogma’s van de modernistische avant-garde, die streefde naar zuiverheid van de kunst. Het esthetisch formalisme van de avant-garde schreef voor, dat zaken als verhaal (schilderkunst is geen literatuur) en perspectief (een schilderij is verf op een plat vlak) uit het schilderij werden geweerd, en het werk zich volledig richtte op dat wat tot het puur schilderkunstige behoort. Als reactie daarop, uit honger naar beelden en verbeelding, haalde het neo-expressionisme alles binnen wat eerder verstoten was. Het resulteerde in onstuimige, soms agressieve dan weer sensuele werken vol figuratie en kleuren- en vormenrijkdom. De meest opvallende eigenschappen die door het neo-expressionisme werden teruggebracht in de schilderkunst (en tevens de grootste verschillen met het minimalisme), zijn: de herwaardering van het decoratieve, het opnieuw gebruikmaken van literaire verwijzingen, politiek engagement, het mengen van 'hoge' cultuur en massa- of subcultuur (zoals graffiti, strips, etnische kunst), eclecticisme, ironie (speciaal bij de Trans-avantgarde), het doelbewust choqueren en een doelbewust streven naar excentriciteit.


Sorteer op: